Intermediair, 20e jaargang 14 - 6 april, blz.17
Miljoenen Nederlanders leveren
dagelijks commentaar op de beperkte
voorspelbaarheid van het weer. Klagen
over het weer - en over het KNMI -
behoort tot het nationale
cultuurpatroon. Enkele jaren geleden
begon het KNMI met de uitgifte van
vijfdaagse verwachtingen, maar zelfs
die grote stap vooruit heeft weinig
geholpen. Is het weer in principe
onvoorspelbaar?
H. Tennekes
Prof. dr. ir. H. Tennekes is directeur van de
hoofdafdeling Wetenschappelijk Onderzoek van
het KNMI, buitengewoon hoogleraar in de meteorologie
aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, en
voorzitter van de Stichting RuimteOnderzoek
Nederland (SRON). Dit artikel is een bewerking van
een voordracht gehouden voor de KNAW-afdeling
Natuurkunde op 30 januari 1984.
Hoe voorspelbaar is het weer?
De eerste gedachte die veel mensen te binnen
schiet als een weersverwachting de mist in
gaat is dat het KNMI de boel weer verprutst
heeft. Nu gebeurt het inderdaad wel eens dat
er door onachtzaamheid of storingen in de
apparatuur fouten worden gemaakt, maar
daar ligt de essentie van het probleem niet.
De essentie is natuurwetenschappelijk: de
weersverwachting is een produkt met een
beperkte betrouwbaarheid en een beperkte
duurzaamheid, ook wanneer mensen en
computers hun werk foutloos verrichten.
Hoe staat het het met het gebruik van computers
in de meteorologie?
De toekomstige toestand van de atmosfeer
wordt uitgerekend met behulp van uiterst
ingewikkelde computermodellen, waarbij
zeer grote 'number crunchers' (supercomputers)
noodzakelijk zijn. De vijfdaagse
verwachtingen van het KNMI zijn gebaseerd op
de modelberekeningen van het Europees
Centrum voor Weersvoorspellingen op
Middellange Termijn. In dit centrum, dat gehuisvest
is in Reading (Engeland), staat een
Cray-XMP-computer die meer dan honderd
miljoen berekeningen per seconde kan
verwerken. Elke dag opnieuw berekent deze
computer het atmosferisch circulatiepatroon
over de hele wereldbol voor een periode van
tien dagen vanaf het tijdstip van waarneming.
De waarnemingen worden verricht om twaalf
uur GMT: de computer van het Europees
Centrum wacht een uur of zes totdat alle
waarnemingen via het mondiale telecommunicatienetwerk
van de Wereld Meteorologische
Organisatie zijn binnengekomen. Daarna
worden de waarnemingen bewerkt tot een
fysisch coherente numerieke diagnose van de
begintoestand van de atmosfeer. Daarmee
verstrijken enkele uren.
Ongeveer negen uur na waarnemingstijd
begint de computer met de modelberekeningen.
Dat vergt twintig minuten rekentijd per 24
uur voorspeltermijn: ruim drie uur later is de
tiendaagse berekening dus voltooid. Direct
daarna gaan de gegevens naar De Bilt (en vele
andere nationale weerdiensten), waar ze door
de computer van het KNMI (een Burroughs
B-6800) worden bewerkt tot numerieke
uitspraken over de toekomstige temperatuur,
bewolking, neerslag en wind.
In de vroege ochtend, ongeveer vijftien uur na
waarnemingstijd, kan het KNMI dus beginnen
met de uitgifte van een nieuwe meerdaagse
verwachting. Het KNMI beperkt zich
tot vijf dagen vooruit omdat de verwachtingen
voldoende meerwaarde moeten hebben
boven de klimatologische getallen voor de tijd
van het jaar. Klimaat is gemiddeld weer: de
verwachting heeft alleen meerwaarde als er
een juiste uitspraak wordt gedaan over de
afwijking van het gemiddelde.
Mazen van het net
Verder nadenkend over de grenzen van de
voorspelbaarbeid van het weer, komen we nu
tot de vraag of de oorzaak ligt in de beperkingen
van computermodellen en meetinstrumenten,
of in het geringe oplossend vermogen
van het waarnemingsnetwerk (dat wil
zeggen: de mate van detail die we nog kunnen
waarnemen). De positie van een koufront kan
niet op de meter nauwkeurig worden vastgelegd
indien weerstations gemiddeld meer dan
honderd kilometer uit elkaar liggen. Er kunnen
ook heel wat buien door de mazen van het
rekennet glippen wanneer de maaswijdte van
dat net tweehonderd kilometer is.
De computerprogramma's zijn uiteraard ook
allerminst perfect, alleen al om de totale
rekentijd binnen de perken te houden. Een
verfijning van de maaswijdte, bijvoorbeeld,
leidt tot een derdemachts verhoging van de
rekentijd. Een maaswijdie van tien kilometer
zou dus duizend keer grotere computers
vergen of de huidige computers in onoplosbare
tijdnood brengen.
Er zijn verder ook vereenvoudigingen en
onvolkomenheden in de numerieke
representatie van de waterhuishouding van de
atmosfeer, in de interactie tussen bewolking
en straling, en in de energie-uitwisseling van
de atmosfeer met oceanen en continenten.
Om een voorbeeld te noemen: de weergave
van de invloed van gebergten in het model van
het Europees Centrum is onlangs ingrijpend
gewijzigd omdat de berekeningen bepaalde
systematische fouten bleken te vertonen.
Al deze beperkingen en tekortkomingen
kunnen leiden tot de veronderstelling dat de
beperkte voorspelbaarheid van het weer
veroorzaakt wordt door de beperkingen in het
oplossend vermogen en in de nauwkeurigheid:
als er maar zuiver genoeg gemeten en
gerekend wordt, met een voldoende kleine
maaswijdte, dan zou het weer in principe
oneindig lang voorspelbaar moeten zijn.
Hooguit veertien dagen
Zo ligt de zaak echter niet. Sinds omstreeks
1970 bestaan er duidelijke theoretische
uitspraken over de grenzen van de voorspelbaarheid
in de atmosferische circulatie. Het
blijkt onmogelijk te zijn het weer
meer dan ongeveer veertien dagen vooruit te
berekenen. Deze conclusie is gebaseerd op
studies van de foutengroei in het stelsel van
wiskundige formules waarmee de atmosfeer
wordt beschreven. De gevoeligheid voor
kleine fouten in de waarneming en diagnose
van de begintoestand is zo groot dat binnen
twee weken de hele oplossing grondig wordt
bedorven. De computer van het Europees
Centrum rekent tien dagen vooruit, omdat de
prognose aan het eind van die termijn nog
enig praktisch nut heeft.
De maximale winst die behaald kan worden
door het oplossend vermogen op te voeren en
andere verbeteringen in het computermodel
aan te brengen, is ongeveer drie dagen;
verbeteringen in het mondiale waarnemingssysteem
en in de diagnosemethodiek
kunnen daar ten hoogste nog twee dagen aan
toevoegen. De beperkte voorspelbaarheid
van het weer blijkt een principieel natuurwetenschappelijk
probleem te zijn. Het weer is
naar zijn essentie 'wisselvallig' en 'onbestendig'.
Omdat dit een conclusie is die zeer ingrijpende
consequenties kan hebben voor het beeld
dat velen zich van wetenschappelijke en
technologische vooruitgang hebben gemaakt,
wordt hier nader op de oorzaken en achtergronden
van de beperkte voorspelbaarheid
ingegaan. We beginnen met een interessante
ontwikkeling in de modelbouw: naarmate de
computermodellen van de atmosfeer
ingewikkelder worden en voor een betere
representatie van de natuurkundige wetmatigheden
zorgen, blijken ze steeds gevoeliger te zijn
voor storingen in de beginvoorwaarden. In
eenvoudige modellen duurt het ongeveer vijf
dagen voordat kleine verschillen in de
begintoestand twee keer zo groot zijn geworden. In
het uiterst ingewikkelde model van het Europees
Centrum duurt dat slechts drie dagen.
De vermoedelijke verdubbelingstijd van
storingen in een perfect model van de atmosfeer
is ongeveer twee dagen. Dit gedrag wordt
veroorzaakt doordat het aantal mogelijkheden
voor instabiliteiten toeneemt naarmate
het model complexer wordt. Betere modellen
leveren betere verwachtingen, maar hebben
een grotere gevoeligheid voor kleine storingen.
De atmosfeer - die in elk geval een
perfect model van zichzelf is - is gevoeliger
dan welk computermodel dan ook.
Model van zichzelf
Hierbij aansluitend is het niet moeilijk,
aannemelijk te maken waarom de pogingen die in
het begin van de jaren zeventig op het KNMI
en elders in de wereld werden gedaan om de
atmosfeer als computer van zichzelf te
gebruiken, wel schipbreuk moesten lijden. Het
idee achter de 'analogenmethode' is dat er in
het gegevensbestand van de laatste dertig jaar
een dag in hetzelfde seizoen te vinden moet
zijn waarop de atmosferische circulatie boven
de Atlantische Oceaan en Europa ongeveer
dezelfde was als de circulatie van vandaag. De
evolutie van de circulatie in de komende
dagen zou dan parallel moeten lopen met de
corresponderende episode uit het verleden.
Deze methode is om drie redenen niet
voldoende betrouwbaar. Ten eerste: een klein
verschil tussen twee gevallen over een klein
deel van de wereldbol betekent niet dat de
verschillen overal klein zijn. Vanaf het eerste
moment worden er dus meestal grote fouten
meegenomen. Die moeten wel leiden tot het
ontsporen van de verwachting. Ten tweede:
ook al zouden twee gevallen erg op elkaar
lijken. toch groeien de verschillen tussen de
twee minstens zo snel als de fouten in een
computermodel. Ten derde: het blijkt erg
moeilijk te zijn, in het dertigjarig bestand
gevallen te vinden die voldoende lijken op de
diagnose van vandaag. De atmosfeer is niet
periodiek. Ze herhaalt zichzelf niet; haar
gedrag is grillig en chaotisch.
Het weer van morgen
Het is ondertussen duidelijk geworden dat
weersverwachtingen op den duur altijd
ontsporen. Dat geldt voor computermodellen
onderling, maar ook voor het verschil tussen
de werkelijke evolutie van de circulatie en de
door de computer berekende evolutie, en
zelfs wanneer de atmosfeer als een analoge
computer van zichzelf wordt gebruikt. Het is
een wezenskenmerk van weersverwachtingen
dat zij minder betrouwbaar worden naarmate
er verder vooruit wordt gekeken.
Maar waarom gaat de weerverwachting van
morgen dan nog zo vaak mis? De beperkte
voorspelbaarheid van weersverwachtingen
op korte termijn wordt veroorzaakt door de
manier waarop de foutengroei in de atmosfeer
afhangt van de grootte en de levensduur
van meteorologische bewegingssystemen.
Verschijnselen in de atmosfeer hebben vrijwel
altijd een kortere levensduur naarmate de
schaal ervan kleiner is. Een depressie met een
diameter van duizend kilometer houdt het
bijna een week vol, een storing met een
diameter van honderd kilometer (zoals de
storm van Hemetvaartsdag 1983) slechts een
dag, een grote onweersbui enkele uren, en
kleine cumuluswolkjes hoogstens een tiental
minuten.
Rekenfouten ontstaan vooral in de kleinste
schalen en dringen daarna pas door tot de
grotere. De fouten die gemaakt worden doordat
verschijnselen op schalen kleiner dan de
maaswijdte van het rekennet niet expliciet
kunnen worden meegenomen in de berekeningen,
zijn hier een goed voorbeeld van. De
tijd die verstrijkt totdat aanzienlijke fouten
een bepaalde schaal van beweging hebben
bereikt, blijkt vergelijkbaar te zijn met de
levensduur van verschijnselen op die schaal.
Grofweg gezegd kan de maximale voorspelbaarheidstermijn
van een verschijnsel niet
groter zijn dan zijn levensduur. Omdat kleinschalige
verschijnselen een korte levensduur
hebben, voltrekt het bederf door foutengroei
zich daar dus snel. In de meteorologie is
honderd kilometer al klein, want die afstand
is vergelijkbaar met de maaswijdte van het
waarnemingsnetwerk. Op die schaal kan er
dus nooit meer dan een dag vooruit voorspeld
worden.
Dit heeft twee belangrijke consequenties.
Ten eerste: de voorspelbaarheidstermijn van
de grootschalige beweging neemt slechts weinig
toe wanneer de roosterpuntsafstand
wordt verkleind. Als de maaswijdte wordt
verminderd van honderd naar vijftig kilometer,
is de winst hoogstens een halve dag; als de
maaswijdte van een toekomstig model zou
worden verminderd van twintig tot tien kilometer,
is de winst hoogstens een uur of twee.
Ten tweede: het probleem spitst zich toe op
de kleine schalen van beweging, omdat juist
die van belang zijn voor het weer van morgen,
met name voor de verdeling van bewolking en
neerslag over ons land.
De voorspelbaarheid van het weer op korte
termijn wordt wezenlijk beperkt door de
snelle groei van fouten bij kleine schalen van
beweging. Anders gezegd: de verwachting
voor morgen faalt in sommige gevallen omdat
het KNMI regionale differentiatie wil
aanbrengen, ondanks de snelle foutengroei op
schalen van honderd kilometer en kleiner.
Het KNMI verstrekt echter liever veel informatie
met een iets geringere betrouwbaarheid
held dan weinig informatie met grote
betrouwbaarheid. Dit beleid is gebaseerd op het
idee dat niemand er iets mee opschiet als wij
zouden zeggen: het kan vriezen, het kan
dooien. Misschien kan de feitelijke situatie als
volgt geformuleerd worden: door elke dag
bewust aanleiding te geven voor gemopper,
houdt het KNMI de interesse voor net weer in
Nederland levendig.
We staan echter wel voor de taak, geen
ernstige fouten te maken in situaties die
gevaar kunnen opleveren. Dat is een bijzonder
zware opgave, want juist zulke situaties
kunnen binnen enkele uren ontstaan uit niet
of nauwelijks waarneembare storingen.
Computers kunnen deze taak niet aan, omdat
ze het verschil tussen een meetfout en een
echte storing niet kunnen onderkennen.
Hiervoor zijn mensen nodig: vakmensen die
alert zijn op de laatste ontwikkelingen in het
weer, en die de computerprodukten bijtijds
bijsturen wanneer dat nodig is. Als het echt
gevaarlijk wordt, vertrouwen we uiteindelijk
niet op de automatische piloot maar op het
vakmanschap van de gezagvoerder.
Nieuw onderzoek
Als de voorspelbaarheid van het weer toch
beperkt is, hebben meteorologische onderzoekers
binnenkort dan geen werk meer?
Daarvoor hoeft niemand bang te zijn, want
het zal nog wel even duren voordat de
theoretische grens van de voorspelbaarheid in
de praktijk bereikt wordt. Het computermodel
van het Europees Centrum wordt nog
steeds verbeterd: dat geldt ook voor de
modellen die het KNMI gebruikt voor
kleinschalige toepassingen. Op de tijdschaal van
enkele uren tot een dag vooruit is nog
aanzienlijke winst te behalen door
verbeteringen in de technologische infrastructuur
(automatische bewerking van satellietgegevens
en radarbeelden, snelle communicatie-netwerken en dergelijke).
Verder zijn er in de laatste tien jaar verschillende
nieuwe wegen in het onderzoek
gebaand. Een eerste voorbeeld is de hernieuwde
aandacht voor persistente perioden in
de circulatie, dat wil zeggen: perioden waarin
het weer bijzonder bestendig is. De grens van
veertien dagen is een statistisch gemiddelde,
het is de moeite waard om te zoeken naar
plaatsen of tijden waarop de effectieve
voorspelbaarheidstermijn groter dan gemiddeld is.
Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een
hogedrukgebied zich hardnekkig boven
Europa nestelt en voor aanhoudend droog weer
zorgt doordat het alle oceaandepressies
verhindert door te dringen tot het continent. De
baan van de depressies wordt dus als het ware
geblokkeerd. Zulk een 'blokkade' is
betrekkelijk ongevoelig voor storingen en kan
zichzelf soms wekenlang in stand houden, Het
theoretische onderzoek naar blokkades splitst
zich toe op bestendige stromingspatronen in
eenvoudige modellen van de atmosfeer. Zulke
patronen heten solitonen (of modonen).
Modonen in eenvoudige modellen van de
atmosfeer blijken zeer goed bestand te zijn
tegen storende invloeden.
Een tweede terrein an onderzoek is de grote
persistentie van sommige verschijnselen in de
tropische circulatie, en de mogelijke invloed
daarvan op het weer op gematigde breedte.
Voor de kust van Peru komen episoden voor
waarin het zeewater abnormaal warm is. Dit
verschijnsel, dat El Nino heet en een grote
daling in de inkomsten van de plaatselijke
visserij veroorzaakt, blijkt samen te hangen
met een anomalie in ne atmosferische circulatie
op het zuidelijk halfrond. De anomalie
heeft een levensduur van één tot twee jaar, en
kan redelijk voorspeld worden zodra de eerste
tekenen van opwarming zichtbaar zijn.
Met eenvoudige atmosfeermodellen worden
zulke afwijkingen van de gemiddelde toestand
redelijk goed gesimuleerd. Het onderzoek
hieraan, dat op het KNMI door
Opsteegh, Van den Dool en anderen wordt
verricht, heeft internationaal grote aandacht
getrokken.
De derde weg die hier genoemd moet worden
is de aandachtsverschuiving van weer naar
klimaat. Het is niet mogelijk te zeggen of er
over vier weken op een bepaalde dag een
depressie over ons land zal trekken, maar het
is misschien wel mogelijk om te vertellen of
het over vier weken wat natter of droger dan
gemiddeld zal zijn. Er wordt hard gewerkt aan
de mogelijke voorspelbaarheid van trends in
het weer. Dit is ook één van de redenen
waarom er veel aandacht wordt besteed aan
verbeteringen van het computerrnodel van
het Europees Centrum. Het 'klimaat' dat het
model genereert als het een maand of verder
vooruitrekent is namelijk niet hetzelfde als
het klimaat van de werkelijke atmosfeer. Om
betrouwbare studies te kunnen maken van de
energiehuishouding van de atmosfeer, zodat
er duidelijke uitspraken gedaan kunnen
worden over klimaatschommelingen en
antropogene invloeden op het klimaat (kooidioxide!),
is een uiterst betrouwbaar 'algemeen circula-
tiemodel' nodig. Het model van het Europees
Centrum biedt hiervoor betere kansen dan de
modellen die elders in de wereld worden
gebruikt. Deze voorsprong moet goed benut
worden.
Vreemde aantrekkers
We gaan terug naar de achtergronden van de
beperkte voorspelbaarheid van het weer,
alleen al omdat we hier te maken hebben met
de bijdrage van de meteorologie aan een
uiterst interessante ontwikkeling in de
moderne natuurkunde.
De atmosferische circulatie is een voorbeeld
van een dynamisch systeem waarvan alle
eigenschappen in principe exact bekend zijn.
Zulke systemen heten deterministisch - dit in
tegenstelling tot stochastische systemen -
waarin toevallige fluctuaties het op voorhand
onmogelijk maken de eigenschappen exact te
kennen. Als een systeem deterministisch is,
en als we de begintoestand ervan exact
zouden kunnen vastleggen, dan zou het in
principe mogelijk moeten zijn alle toekomstige
toestanden exact uit te rekenen. Maar wat
gebeurt er wanneer de precisie niet oneindig
groot is? Voor de atmosfeer, en voor vele
andere dynamische systemen. geldt dat een
willekeurige kleine fout in de begintoestand
op den duur grote fouten in de berekeningen
veroorzaakt. Zo komt de inhoud van het
begrip 'exact' op de helling te staan.
Het idee dat het gedrag van deterministische
systemen op den duur onvoorspelbaar kan
worden, komt - zoals gezegd - ook elders in
de natuurwetenschappen voor. Sinds
omstreeks 1960 bestuderen vele wiskundigen de
theorie van systemen die, net als de atmosfeer,
gevoelig zijn voor storingen in de
begintoestand. Het probleem was voor de
eeuwwisseling al door Poincaré onderkend,
maar er zijn computers voor nodig om na te
gaan op welke wijze het gedrag van
deterministische systemen chaotisch wordt.
Baanbrekend werk werd verricht door de in
de meteorlogie terechtgekomen wiskundige
E. N. Lorenz, die in zijn verhandeling van
1963 over 'deterministic non-periodic flow'
voor het eerst een strange attractor (vreemde
aantrekker) construeerde voor een sterk
vereenvoudigde modelatmosfeer. Het model had
slechts drie vrijheidsgraden: drie getallen
waren voldoende om de toestand ervan vast te
leggen.
Een aantrekker kan worden vergeleken met
de lamp waar een mug op afkomt. De toestand
van een systeem met wrijving komt op
den duur op de aantrekker terecht wanneer
de begintoestand er niet al te ver van verwijderd
Er zijn gewone aantrekkers en
vreemde. Een gewone aantrekker lijkt op een
lamp die ervoor zorgt dat de mug voortdurend
in dezelfde baan blijft rondcirkelen (een leek
zou dat trouwens helemaal niet gewoon vinden,
maar juist vreemd). Een vreemde
aantrekker veroorzaakt een chaotische
rondedans van de mug, een dans rond de lamp
waarin geen enkele baan ooit precies wordt
herhaald. In dat geval wordt het uiteraard
moeilijk te voorspellen waar de mug zich even
later zal bevinden. Wèl is het zeker dat de
mug in de buurt van de lamp blijft.
De structuur van een vreemde aantrekker
mag worden vergeleken met die van
bladerdeeg, maar dan bladerdeeg waarin ieder
afzonderlijk laagje weer opnieuw uit velletjes
bladerdeeg bestaat, en dat tot in het oneindig
kleine toe. De microstructuur van dit
bladerdeeg ontstaat door het oneindig vaak te
vouwen. Hierdoor wordt het onmogelijk
gemaakt de baan van ons systeem (die we op het
deeg hebben getekend voordat het tot
vervelens toe werd uitgerold en opgevouwen) terug
te vinden. Als de microstructuur zo
ingewikkeld is. wordt voorspellen natuurlijk moeilijk.
Het wiskundige probleem van de beperkte
voorspelbaarheid van sommige systemen kan
nu als volgt worden samengevat. Stel dat een
systeem een vreemde aantrekker heeft, en dat
de begintoestand ervan moet worden
vastgelegd met instrumenten die een eindige
nauwkeurigheid bezitten. Vanwege de oneindig
ingewikkelde microstructuur van de aantrekker
ontstaat er nu onzekerheid over de
precieze begintoestand van het systeem. Met
andere woorden, het is onmogelijk geworden
exact vast te stellen op welke vouw van de
aantrekker het systeem zich in werkelijkheid
bevindt. De onzekerheid over de begintoestand
leidt tot onzekerheid over de
toekomstige toestand van het systeem, en daarmee
tot een begrensde voorspelbaarheid. Door
het oneindig aantal vouwen in de aantrekker
kan er geen enkele eindige periode van
beweging ontwaard worden: de baan van het
systeem is chaotisch.
Het werk van Lorenz en anderen (waaronder
de Nederlanders Takens en Helleman) heeft
geleid tot een uitgebreide literatuur over het
chaotisch gedrag van deterministische
systemen, over de gevoeligheid van storingen en
instabiliteiten, over scenario's in de
parameterruimte waarlangs turbulentie wordt
bereikt, over 'roads to chaos' en wat dies meer zij.
Turbulentie
Een eenvoudig voorbeeld van het ontstaan
van turbulentie in een systeem dat kennelijk
een vreemde aantrekker heeft, is de dispersie
van een druppel inkt of koffiemelk die
voorzichtig op het oppervlak van het water in een
drinkglas wordt neergelaten. Het is de moeite
waard om dit experiment uiterst zorgvuldig te
doen: dan komt men niet in de verleiding de
waargenomen verschijnselen toe te schrijven
aan een slordige behandeling van de
beginvoorwaarden. De druppel is iets zwaarder dan
water en zinkt dus naar beneden. Spoedig
ontstaat er een ringvormige wervel, die heel
snel onstabiel wordt en uiteenvalt in een klein
aantal kleinere wervels. Deze worden op hun
beurt zelf ook weer onstabiel. Het
splitsing-proces gaat door tot er een chaotisch stelsel
van kleine ringwervels is ontstaan. Deze
werveltjes hebben alle dezelfde interne
structuur; ze worden ten slotte zo zwak en
klein dat de viscositeit van het water verdere
instabiliteiten in de kiem kan smoren. De
ruimtelijke structuur van turbulente
bewegingen is dermate gecompliceerd dat de
precieze locatie en tijd waarop een nieuw
werveltje zich zal gaan afsplitsen, volstrekt
onvoorspelbaar wordt.
In mindere mate geldt dit ook voor het
ontstaan van nieuwe depressies ergens op de
oceaan. Er zijn gebieden waar veel vaker
depressies ontstaan dan in andere (bij New-Foundland
bijvoorbeeld), maar de precieze
tijd en plaats blijft een raadsel. Dit verwijst
naar een interessante dualiteit in de gevolgen
van gevoeligheid voor storingen in de
beginvoorwaarden: aan de ene kant leidt deze
gevoeligheid tot foutengroei en chaos, aan de
andere kant tot het ontstaan van 'coherente
structuren'.
Turbulentie kan gekarakteriseerd worden als
een chaotisch stelsel van coherente structuren
in strormngen waarvan de evolutie slechts
korte tijd voorspelbaar is. De meest
opvallende coherente structuren in het drinkglas
experiment zijn de ringwervels; in de atmosfeer
zijn dat de stormdepressies die langs het
polaire front, op de grens van koude en
warme lucht, uit toevallige instabiliteiten
worden verwekt. Deze specifieke organisatievorm
voor de benodigde energietransformaties
in de atmosfeer zou niet mogelijk zijn
in een systeem dat ongevoelig is voor storingen.
Hoewel foutengroei naar zijn aard gepaard
gaat met een geringere kennis over het
systeem, dus met een verlies aan 'informatie',
is het moeilijk niet onder de indruk te raken
van de grote hoeveelheid informatie die in de
interne structuur van een depressie besloten
ligt. Analoge overwegingen komen ter sprake
in het recente werk van Prigogine (From
Being to Becoming, Freeman Publishing Co.,
1980).
Tweede hoofdwet
De beperkte voorspelbaarheid van het weer
verwijst naar een wezenlijk verschil tussen
verleden en toekomst, en dus naar
onomkeerbaarheid van de tijd. De toekomst wordt
gekenmerkt door foutengroei en
informatieverlies, zelfs in dynamische systemen waarin
thermodynamische onomkeerbaarheid geen
rol speelt. De verleiding om een direct
verband te leggen met de tweede hoofdwet van
de thermodynamica moet dus worden
weerstaan. De begrippen 'omkeerbaar' en
'voorspelbaar' lopen niet precies parallel;
de begrippen 'tijd', 'entropie' en 'informatie'
evenmin. Het is echter onmiskenbaar dat de
tweede hoofdwet een uitspraak doet over de
richting van de tijd, en dat er een nauw
verband is tussen entropietoename en
informatieverlies. De overeenkomsten zijn
treffend; verdere studie van het verband tussen
voorspelbaarheid en thermodynamische
omkeerbaarheid is geboden. Zorgvuldig
nadenken over deze materie zal kunnen leiden tot
een beter begrip van de onomkeerbaarheid
van de tijd in de natuurkunde.
Laplace
Dit brengt mij op mogelijke verdere
implicaties van de beperkte voorspelbaarheid van de
atmosfeer. Het determinisme van Laplace
moet hier definitief worden verlaten. Het idee
van de perfecte voorspelbaarheid komt uit de
klassieke hemelmechanica (mécanique
céleste). De atmosfeer kan dat voorbeeld helaas
niet volgen. De moderne sterrekunde
trouwens ook niet: nog afgezien van recente
ontwikkelingen in de baanmechanica, hoef ik
slechts te verwijzen naar zonnevlekken en
magnetische stormen, of naar de begrensde
voorspelbaarheid die besloten ligt in het
gebruik van termen als 'geboorte' en 'levensloop'
van sterren. Verder is het maar een
kleine stap van determinisme naar predestinatie,
zeker als de mechanica het predikaat
'hemels' heeft verworven. De calvinist in mij
waagt zich hier echter niet aan verdere
speculaties. Het zou immers tamelijk genant
zijn, zich een God te moeten voorstellen die
zich voornamelijk bezighoudt met het uitpluizen
van de kleinste details in de gevouwen
microstructuur van mijn vreemde aartrekker.
Dan leef ik liever in onzekerheid.